|
Woorden en uitdrukkingen
Op deze bladzijde vindt u een selectie van woorden en uitdrukkingen die straks ook zijn terug te vinden in het Katwijks woordenboek:
gròòte guil grote kerel, vent, die zich niet altijd zo flink gedraagt: Kè-je wél, gròòte guil, dat mààsje ammaer zòò te peste. Guil is verouderd Nederlands voor 'oud, slecht paard'. Anderzijds verwijst het naar het Franse gros gueule, dat 'grote bek, muil' betekent.
kierekwast stofkwastje, om spullen in huis (huisraad) af te stoffen: Dat vrauwtje was zòò skòòn, ze dee d'r haele huis mit-te kierekwast.
op-te klirs kòòpe/haele op de pof kopen/halen.
'n kind op-te klirs krijge een kind krijgen waarvan de vader niet bekend is, dan wel waarvan de vader ongewenst is, of waarvan de vader het vaderschap niet erkent of niet opeist.
kullekje holletje, warm plekje: Ze lag lekker in 't kullekje.
kwaek kwakel, hoge smalle voetbrug, hefbruggetje.
de kwaek ophauwe de boel ophouden. Oorspronkelijk verwijst de uitdrukking naar de brugwachter die de kwakel, de kwaek, ophoudt en daarmee dus ook de boel (het verkeer) ophoudt.
kwik(je) opstaand, stijf staartje in het haar, met een elastiekje eromheen, niet gevlochten. Meestal twee staartjes, die aan weerszijden in het haar staan.
lerref tong: Hauw die lange lerref is binne! Houd die lange tong eens in je mond!
letterend (stukje, eindje) banketletter: Wù-je nog ’n stikje letterend?
òòg 1 oog. 2 oogappel: Ze is m’n òòg. 3 begerenswaardig object: Blijf van me òòg of. 4 oog van een vloot, dat is de drijver waardoor de lijn loopt die met de vleet (het staande want, net) verbonden is. 5 enkele bes van de braamvrucht.
gien òòg helemaal niets: Hè-je nog wat ewonne? Gien òòg! De uitdrukking heeft oorspronkelijk te maken met het bramen plukken. De braam heeft normaal meerdere bessen, òòge. Is de plant niet volledig bevrucht, dan heeft deze slechts één of enkele bessen. Vind je gien òòg, dan vind je bij wijze van spreken niet eens één enkele bes.
gien rog in zae die naer me kijkt en de vlote hebbe maer ien òòg maak je geen zorgen, niemand ziet het (lett. ndl. '(er is) geen rog in zee die naar me kijkt en de vloten hebben maar één oog'). Vlote zijn de drijvers (grote kurken) die de vleet (het staande want, net) omhooghouden. Iedere vloot heeft een òòg. Daardoor loopt de lijn die met de vleet verbonden is. Vloot (of vleet) zelf heeft ook weer de betekenis van spijkerrog (Raja Batis), dat is een soort van doornrog.
't Paeterbos bosperceel achter 't Hereskool nabij het vroegere K.R.V.-terrein.
pelest (uit op 't lest) op het laatst: Ik heb ’n haele tijd staen skuile voor de regen, maer pelest ben ik 'r toch maer deurheen egaen.
sibbeljant (vgl. ndl. sibellijns o.a. 'raadselachtig') 1 vreemd, onbekend persoon: Wie benne die sibbeljante? 2 iemand die afwijkend gedrag vertoont: Wat is-tat voor 'n sibbeljant, die vent-taer op-tie legfies! Wat is dat voor een raar figuur, die man daar op die ligfiets! 3 deugniet, grappenmaker: Welleke sibbeljant hààt-tut nou weer edaen?
't Traenedal het Tranendal, buurtje in Katwijk aan den Rijn: Z'n-leve hebbe die mensies nog 'n jaer of vier in 't Traenedal eweund, voor ze nae Kattek-Zae kwamme. Hier kwamen na de Tweede Wereldoorlog veel Katwijk-Zeeërs te wonen. Terwijl hun mannen op zee voeren, zaten de dochters naar de toenmalige maatstaven te ver weg om bij moeder in het zeedorp zomaar even 'n bakje te gaen doen. Zij zaten met andere woorden, in het Tranendal, zeer tot hun 'verdriet'.
(Grammaticale aanduidingen zijn hier achterwege gelaten.)
Ook topografische benamingen krijgen een plaats in het Katwjks woordenboek. Lees Topografie van de Kattuker. |