|
Katwijk en het Katwijks, al meer dan een eeuw onlosmakelijk met elkaar verbonden
door Leendert de Vink
Het is al ruim honderd jaar geleden, aan het einde van de 19e eeuw, dat er door taalkundigen voor werd gewaarschuwd dat de dialecten spoedig verdwenen zouden zijn, en dat het de hoogste tijd werd om deze talen vast te leggen. We zijn inmiddels een eeuw verder en de dialecten bestaan nog steeds. Dat geldt zeker ook voor het Katwijks dialect. Het heeft zich in de 20e eeuw, de eeuw van de 'vooruitgang', opmerkelijk goed weten te handhaven. Toch moeten er in zo’n lange tijd ook wel veranderingen hebben plaatsgevonden. Het Katwijks van een eeuw geleden zal heel anders hebben geklonken dan het Katwijks dat we nu om ons heen horen.
Stel, een Katwijker uit het jaar 2000 gaat op bezoek bij een Katwijker uit het jaar 1900. Zou de eerste de laatste dan verstaan als deze hem verwelkomt met de woorden: Zòò, kom je weerderis bouwe? En zou de laatste, terwijl hij een bakje inschenkt, de eerste nog begrijpen, als deze het heeft over de videoband met de visserijfilm die hij de avond daarvoor op de televisie heeft bekeken.
Dit gesprek illustreert dat vooral de Katwijkse woordenschat in een eeuw tijd hard achteruit is gegaan. Men is in de loop van de 20e eeuw mobieler geworden. Meer dan vroeger komt men tegenwoordig buiten het dorp, en dus in aanraking met vreemde. Gebruikt de dialectspreker tegen een buitenstaander dialectwoorden, dan kunnen misverstanden ontstaan. Een winkelier van buiten het dorp zou verschrikt opkijken als een Katwijker hem om enkeld geld zou vragen, terwijl deze slechts wisselgeld bedoelt. En zo zal een Katwijker die bij rustig, windstil zomerweer aan de boulevard staat en tegen een toerist zegt We hebbe vandaeg ’n slecht zaetje, verbaasd worden aangekeken. Wil de Katwijker het gesprek met zijn niet-begrijpende buurman voort kunnen zetten, dan zal hij zijn typische dialectwoorden door standaardtalige moeten vervangen. In dit geval slecht door vlak. Door het toegenomen contact met niet-Katwijkers gaan dialectwoorden verloren.
Een andere belangrijke oorzaak voor het verdwijnen van woorden is dat de zaken en begrippen die ermee worden aangeduid, verdwenen zijn. Zo is met het verdwijnen van de klederdracht ook een heel scala aan dialectwoorden in onbruik geraakt. Misschien dat de klederdrachtgroep van het Genootschap 'Oud Katwijk' ze nog gebruikt, maar tegenwoordig hoor je bijna niemand meer spreken van een keesjak (wambuis van stijve baaien stof met korte, driekwart mouwen), een skoe(r)mankel (schoudermantel) of een ijzer (hoofdijzer).
Onder de zaken die verdwenen (of veranderd) zijn, rekenen we ook de kinderspelen. Kinderen kakse tegenwoordig niet meer (daarbij werd met een leren riem tegen een cent geslagen tot deze over de 'meet', de streep was). Ze gaan liever rollerskaten. Zelfs volwassenen doen dat. En de oudere Katwijkers zien we niet meer skietlòòtende-n-an (al klootschietende of kolvende) van het Zeedorp naar het Rijndorp gaan.
Waar zich wat betreft de namen voor zaken en begrippen werkelijk een grote verandering heeft voorgedaan, is in de visserij. Met het verdwijnen van de bomschuit bijvoorbeeld, aan het begin van de 20e eeuw, verdween ook een groot deel van de met dat vaartuig verbonden visserijterminologie. Zo zijn er geen spillopers meer om het net binnen boord te halen en is er bij aankomst van de skuit geen klijnhaelder meer om de klijn (klein soort anker) naar het strand te brengen. Wat mee verdween in de golven was ook het op de skuit geënte navigatiesysteem met de bijbehorende termen, bijvoorbeeld wat de weersgesteldheden betreft. Bij roezeboezig (onstuimig, stormachtig) weer, wanneer de zee in geen geval slecht te noemen was (zie boven), kon men maar beter niet ofvaere (uitvaren vanaf het strand).
De Katwijkse woordenschat was omvangrijk, maar er is niet veel meer van over. Hoe anders is het gesteld met de klanken van het Katwijks. Hierin zien we nog de grote rijkdom van het dialect. De twee Katwijkers uit het begin van het verhaal zullen elkaar als het om de klanken uit het dialect gaat nog goed kunnen verstaan. Anno 2000 heeft de Katwijkse ae bijvoorbeeld nog geen meter terrein prijsgegeven aan de Nederlandse aa. De klank komt voor in talloze woorden. Hetzelfde geldt voor de Katwijkse w. Deze klanken zullen nog tot in lengte van dagen te horen zijn.
Toch zijn er in het klankgebruik van de twee Katwijkers wel verschillen waar te nemen. Zo zullen we de Katwijker uit het jaar 2000 minder vaak dan de Katwijker uit het jaar 1900 een Katwijkse àài, voor een Nederlandse ee horen gebruiken, in bijvoorbeeld vlààis of blààik. Of een ee voor eu, in bijvoorbeeld krepel. Deze klanken verdwijnen uit het Katwijks omdat ze maar in weinig woorden voorkomen.
De teloorgang van de dialecten die men een eeuw geleden verwachtte, bracht taalkundigen en dialectologen in beweging. De centrale figuur voor het onderzoek naar het Katwijks werd G.S. Overdiep. Hij schreef een grammatica van het dialect: De volkstaal van Katwijk aan Zee (1940). Een gigantisch karwei, waarvoor hij al in 1905 zijn eerste aantekeningen maakte. Medewerking kreeg hij onder andere van C. Varkevisser, een andere centrale figuur als het om de Katwijkse taal en historie gaat. Als directeur van de visserijschool was Varkevisser de drijvende kracht achter het Woordenboek van de volkstaal van Katwijk aan Zee dat verscheen in 1949 (herdruk 1987).
Geen ander dialect in Nederland kan zich wat het wetenschappelijk onderzoek betreft in zo’n ruime belangstelling verheugen als het Katwijks. Aan de Nederlandse (en ook buitenlandse) universiteiten wordt het Katwijks dialect vaak als voorbeeld gebruikt. Het dialect is oeroud, en er is nog veel oorspronkelijks in terug te vinden. Maar, zoals we gezien hebben, is er ook veel verdwenen.
Onderzoek naar de veranderingen in het Katwijks dialect vond voor het eerst in 1980 plaats, door een werkgroep Leidse studenten onder leiding van C. van Bree. Twintig jaar later, aan de vooravond van het nieuwe millennium wordt er aan de Leidse universiteit opnieuw onderzoek gedaan naar die veranderingen, en staat er voor het begin van de volgende eeuw een geheel nieuw en uitgebreid woordenboek op stapel.
Bronnen:
Katwijks volksleven. Samengesteld door de Commissie voor Volkskunde van de Vereniging 'Oud-Leiden'. Leiden, (1951). Oud-Leiden Serie 1.
G.S. Overdiep & C. Varkevisser, De volkstaal van Katwijk aan Zee. Antwerpen, 1940.
G.S. Overdiep & C. Varkevisser, Woordenboek van de volkstaal van Katwijk aan Zee. Antwerpen, 1949.
Eerder verschenen in Courant van de Eeuw. Katwijk, 15 december 1999.
|